Direct contact met ons?
030 72 10 714
Door Marlieke | 12 maart 2013 | Arbeidsrecht, Arbeidsongeschiktheid, Ontslag

Ontslagvergoeding bij beëindiging dienstverband na drie jaar arbeidsongeschiktheid

De kantonrechter Utrecht heeft zich in december 2012 uitgelaten over de vraag of een werknemer recht heeft op een ontbindingsvergoeding bij beëindiging van het dienstverband na drie jaar arbeidsongeschiktheid.

In het voorliggende geval bij de kantonrechter Utrecht was sprake van een werknemer die reeds 10 jaar in dienst was bij werkgever. Ongeveer drie jaar voor de ontbindingsprocedure heeft werknemer zich ziek gemeld. Het re-integratietraject is daarop gestart, maar werknemer valt hierin meerdere malen uit. De bedrijfsarts en de verzekeringsarts oordelen uiteindelijk dat werknemer niet geschikt is voor eigen werk. Werkgeefster heeft geen passende werkzaamheden beschikbaar en zet daarom de re-integratie via het tweede spoortraject in.

Nadat de 104 weken van loondoorbetalingsplicht bij arbeidsongeschiktheid bijna voorbij zijn vraagt werknemer een WIA-uitkering aan. Het UWV oordeelt dat werkgeefster onvoldoende heeft gedaan om werknemer te re-integreren. De WIA-aanvraag wordt dan ook afgewezen en werkgeefster krijgt als sanctie een loondoorbetalingsverplichting tot 27 februari 2012 opgelegd. Na het verstrijken van de termijn van de loonsanctie vraagt werknemer begin 2012 wederom een WIA-uitkering aan. De WIA-uitkering wordt echter, ook na bezwaar, afgewezen door het UWV.

Nadat de loonsanctie is geëindigd start werknemer een ontbindingsprocedure omdat zij meent dat sprake is van gewichtige redenen, te weten veranderingen in de omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst op korte termijn moet worden ontbonden. Werknemer onderbouwt haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met het feit dat werkgeefster al anderhalf jaar zou weigeren re-integratie inspanningen te verrichten. Daarnaast heeft werkgeefster geen wezenlijke inspanningen gedaan voor het tweede spoor. Ook de loonsanctie heeft er niet toe geleid dat de re-integratieverplichtingen werden nagekomen. Werknemer heeft schade geleden van de ontstane situatie, daarom verzoekt zij de arbeidsovereenkomst te ontbinden met een ontbindingsvergoeding op grond van de kantonrechtersformule met correctiefactor C=1,5, te weten € 59.731,55 bruto. Werkgeefster stelt dat voorzetting van de arbeidsovereenkomst geen doel dient, gelet op het feit dat werknemer arbeidsongeschikt is, er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn, geen opzegverbod geldt en de loondoorbetalingsverplichting is geëindigd. Werkgeefster stelt echter dat geen vergoeding moet worden toegekend.

De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in discussie is dat de loondoorbetalingsverplichting van werkgeefster als gevolg van de wettelijke termijn en de verlengde loondoorbetalingstermijn bij ziekte is geëindigd per 27 februari 2012. Er is derhalve sprake van een slapend dienstverband. Daarbij stelt de kantonrechter dat de enkele omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst van werknemer na een langdurig dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid wordt ontbonden, op zichzelf onvoldoende grond oplevert voor het toekennen van een vergoeding. Voor het toekennen van een vergoeding kan in een dergelijk geval wel aanleiding bestaan indien zich bijzondere omstandigheden voordoen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de werkgeefster een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid of indien de werkgeefster in gebreke is gebleven bij het re-integreren van de werknemer.

In het onderliggende geval ziet de kantonrechter geen grond voor toekenning van een vergoeding aan werknemer. De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster onvoldoende heeft gedaan om werknemer van de ernst van haar situatie en de absolute noodzaak om te re-integreren in het tweede spoortraject te overtuigen, Ook is de begeleiding van werkgeefster van de re-integratie in het eigen bedrijf niet optimaal geweest. Naar oordeel van de kantonrechter dient voor de beoordeling van de vraag of een ontbindingsvergoeding moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, zwaar te wegen dat werknemer zich tegen de re-integratie tweede spoor heeft verzet. Dit compenseert echter niet volledig de tekortkomingen van werkgeefster bij de beoordeling van de vraag naar rechtvaardiging van de ontbindingsvergoeding. Het had naar oordeel van de kantonrechter voor de hand gelegen werknemer een vergoeding toe te kennen ter tegemoetkoming in de kosten die werkgeefster in het derde ziektejaar aan re-integratie had moeten maken. Echter, werknemer heeft zich op het standpunt gesteld en stelt zich nog steeds op het standpunt geheel geen werk te kunnen verrichten. Het past in dergelijk geval niet om werkgeefster te verwijten dat die zich onvoldoende heeft ingezet haar toch aan het werk te helpen. Al met al concludeert de kantonrechter dat er geen grond bestaat voor het toekennen van een beëindigingsvergoeding aan werknemer.


Juridisch advies nodig?

Stel een vraag aan een van onze adviseurs.