Direct contact met ons?
030 72 10 714
Door Bart Post | 27 oktober 2016 | Ambtenarenrecht

Het functioneren van de ambtenaar

Een onderwerp op de werkvloer dat altijd veel stof doet opwaaien is het al dan niet voldoende functioneren van een ambtenaar. Of een ambtenaar voldoende functioneert, is ter beoordeling van de werkgever. Met andere woorden, de uiteindelijke beoordeling over het functioneren is een eenzijdig oordeel van de werkgever. Dit betekent echter niet dat een ambtenaar in het geheel geen inspraak heeft in de beoordelingscyclus. Hoe een beoordelingscyclus eruit behoort te zien kan per overheidswerkgever verschillen. Zo kent de rechtspositieregeling voor ambtenaren van provinciale staten een duidelijke regeling jaargesprekken, maar zegt de rechtspositieregeling voor gemeenteambtenaren, op wie de CAR-UWO van toepassing is, uitsluitend dat het college van burgemeesters en wethouders een regeling omtrent periodieke beoordelingen kan vaststellen. Het is dus altijd van belang goed naar de van toepassing zijnde regeling te kijken, om te kunnen bepalen of de beoordeling aan de formele vereisten voldoet. Daarnaast dient een beoordeling te berusten op voldoende concrete feitelijke grondslag.

De formele vereisten
Zoals hierboven benoemd, dienen de formele vereisten van een beoordelingscyclus te worden nagezocht in de op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositieregeling en de eventuele aanverwante regelingen.

Om van een goede beoordelingscyclus te kunnen spreken, dient in de regel minimaal één keer per periode (van in de regel twaalf maanden) een planningsgesprek, een voortgangsgesprek en een beoordelingsgesprek plaats te vinden. In een planningsgesprek zal aandacht worden besteed aan de door de ambtenaar te bereiken werkresultaten, de te verrichten activiteiten en de persoonsgebonden doelstellingen. Het is van belang voorgaande zo concreet mogelijk te maken en de doelstellingen dusdanig te formuleren dat ook getoetst kan worden of de gewenste resultaten zijn behaald.

Het voortgangsgesprek heeft als doel te bezien of de geplande voortgang naar wens verloopt, of dat wellicht doelstellingen bijgesteld dienen te worden. Voor de werkgever is dit een moment om de ambtenaar te laten weten of hij tevreden is, of dat er verbeterpunten zijn. In het geval een werkgever niet (geheel) tevreden is over het functioneren, is het verstandig meer vinger aan de pols te houden en de te maken afspraken over verbeteringen vast te leggen.

Na afloop van de afgesproken periode, dient in het beoordelingsgesprek gezamenlijk te worden geëvalueerd in hoeverre de gemaakte afspraken in het planningsgesprek zijn gerealiseerd en – voor zover nodig – welke factoren een rol hebben gespeeld bij het al dan niet realiseren van die afspraken. Ook dient gezamenlijk te worden nagegaan of de onderling gemaakte afspraken zijn nageleefd. Naleving van de tussentijdse voortgangsbewaking is van belang, zodat beide partijen niet onnodig worden verrast door de uitkomsten van de gesprekken. Uiteindelijk stelt de leidinggevende de beoordeling na het beoordelingsgesprek eenzijdig vast.
Vanzelfsprekend is het van belang dat één en ander voldoende schriftelijk wordt vastgelegd en dat de ambtenaar de schriftelijke vastlegging voor gezien ondertekend. De ambtenaar hoeft het dus niet eens te zijn met de (tussentijdse) beoordeling.

Voldoende feitelijke grondslag
Het kan voorkomen dat een ambtenaar onvoldoende functioneert. Het is dan wel van belang dat de ambtenaar op de tekortkomingen wordt gewezen en dat concreet wordt benoemd hoe het functioneren kan worden verbeterd. Tevens is van belang dat aangedragen tekortkomingen van de ambtenaar voldoende en concreet feitelijk worden onderbouwd.
Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009: BJ7050) blijkt dat de toetsing van de inhoud van een beoordeling is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. In geval van negatief oordelen moet als uitgangspunt gelden dat het op de weg van de werkgever ligt aannemelijk te maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissende of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is, en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgelegd of geïnterpreteerd. Het gaat er om of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de even bedoelde toetsing kunnen doorstaan.
Uit voorgaande blijkt dus dat de vraag of een inhoudelijke beoordeling in stand kan worden gelaten, zeer marginaal wordt getoetst. Des te belangrijker is het ervoor zorg te dragen dat de tekortkomingen van de ambtenaar voldoende concreet worden gemaakt en worden onderbouwd met praktijkvoorbeelden.

Besluit
Uiteindelijk mondt de beoordeling uit in een voor bezwaar vatbaar besluit. De ambtenaar heeft dus de mogelijkheid tegen de beoordeling in bezwaar en (daarna) beroep te gaan. De ambtenaar heeft belang bij een bezwaarprocedure in geval van een negatieve beoordeling. Een negatieve beoordeling kan immers gevolgen hebben voor een eventuele loonsverhoging en, belangrijker nog, meerdere negatieve beoordelingen kunnen leiden tot een beëindiging van de aanstelling. Voor de ambtenaar geldt dat in een bezwaarprocedure wel concreet moet kunnen worden benoemd waarom hij het niet eens is met de beoordeling om enige kans van slagen te hebben.

In de praktijk blijkt dat veel vragen bestaan over hoe de voortgang van het functioneren moet worden vastgelegd en over de uiteindelijke vaststelling van de beoordeling. Indien u hier ook vragen over hebt, kunt u uiteraard contact opnemen met één van de ambtenarenrecht specialisten van eerlijkmetrecht via telefoonnummer 030 72 10 714 of stuur een e-mailbericht aan info@eerlijkmetrecht.nl.


Juridisch advies nodig?

Stel een vraag aan een van onze adviseurs.